Naar 2100 meter
25 juni 2008
De monnik knikt vriendelijk. Zijn klooster is het startpunt van onze klim naar de top van de heilige berg: Hua Shan. Het is een van de vijf heilige bergen van het Taoisme. We beginnen goed voorbereid aan onze tocht. Tenmiste, we hebben bergschoenen aan, een afritsbare broek voor de warme voet van de berg en de koude top, eten en water voor onderweg. Het enige dat onvoldoende aanwezig is, is mijn conditie.
We lijken beter bestand tegen de klim naar 2100 meter dan de meeste Chinezen. Zij lopen op glimmende leren dansschoenen, hakjes, glitterende slippertjes. De mannen dragen de mooie schoudertas van de vrouwen. Een vrolijk gekleurd parapluutje beschermt tegen de zon. Het lijkt wel op ze door een stadspark wandelen op een zondagmiddag. Niet alsof ze beginnen aan een klimtocht van twee dagen.
De eerste drie kilometer zijn okay, al stoppen we onderweg ministens zes keer om bij te komen. ‘Pfff dit is best zwaar’, denk ik bij mezelf. De echte beklimming is nog niet eens begonnen. Pas na 3,8 kilometer zetten we onze voet op de eerste trap. Het begin van vier kilometer trappenwerk. Ik hijg, puf, voel mijn benen verkrampen. Maar wat is het uitzicht mooi.
Na zeven uur lopen halen we de top. We zijn net op tijd voor de zonsondergang. Wauw. Wat een uitzicht. We genieten. Na een korte nacht in een bed vol zwarte haren staan we om vijf uur op voor de zonsopkomst. Opnieuw wauw. Geweldig! De klim was de moeite waard. Nu nog naar beneden nog vier kilometer aan trapwerk voor de boeg.
(Hua Shan, 25 en 26 juni 2008.)
