Walvishaaien
23 april 2009 - Ningaloo Reef, Australië
Het waait flink. De handdoeken die gisteren keurig aan de boomtak, onze waslijn hingen, zijn een paar meter verderop beland. De wind raast langs onze camper en Vanaf onze campingplek in Cape Range National Park in West-Australië zien we de schuimkoppen op zee. Het lijkt niet echt een ideale dag voor een duik met een walvishaai.
Dat denken ook de meeste tourbedrijven. De meeste komen niet eens opdagen en twee besluiten bij aankomst op het strand rechtsomkeer te maken. De schipper komt de groep het slechte nieuws brengen. Teleurgesteld staan ze langs de kant, maar snappen de situatie helemaal wanneer de kapitein, in zijn kleine bootje op de terugweg naar zijn schip, kapseist door een flink windvlaag.
Dus slechts een twintigtal blijft achter op het strand, wij. En niet de vast groep van ruim 120, die normaal gesproken zes boten vullen in het hoogseizoen. Volgens onze gids is het een gevalletje borderline. “We wachten de ochtend af, meestal gaat de wind in de middag liggen.”
We varen het Ningaloo Marine Park op en snorkelen ’s ochtends over het koraal en tussen de felgekleurde vissen. Hier, aan de westkust van Australië verschijnen de walvishaaien standaard elk jaar tussen april en juli. Het is een van de weinige plekken in de wereld waar je de klok erop gelijk kunt zetten. De giganten met een lengte tot zo’n twaalf meter eten niets anders dan plankton en komen af op de overvloed aan voedsel in deze tijd van het jaar.
De wind verandert in een zegen. Net na het snorkelen en een hapje eten heeft het spotter-vliegtuig de eerste drie walvishaaien in het vizier. En we hebben ze helemaal voor onszelf. Door stricte regels ter besterming van de vissen mogen slechts tien snorkelers per keer met de vis zwemmen. Andere boten zijn ’s ochtends afgehaakt vanwege de harde wind dus duiken de twee groepen van tien van onze boot het water in. Wij zijn de eerste en komen voor de walvis terecht. Hij (of zij) zwemt nieuwsgierig op ons af. Op zijn rug honderden witte stippen, kleinere vissen liften met hem mee en hij opent zijn mond, van ongeveer een meter breed, een klein beetje. We zijn zo onder de indruk dat ik vergeet foto’s te maken. We springen nog vijf keer het water in en flipperen naast exemplaren tot zo’n acht meter. Wauw!
